
Biologisch uitgangsmateriaal
Biologische
landbouw
Biologische landbouw is een milieuvriendelijk wijze van produceren.
De biologische teelt kent twee stromingen de ecologische teelt
en de biologisch-dynamisch teelt. In de ecologische teelt zijn
synthetisch geproduceerde gewasbeschermingsmiddelen en (kunst)mest
niet toegestaan. De biologisch-dynamische landbouw komt voort
uit de antroposofie, een levensvisie die begin 20ste eeuw is ontwikkeld
door de Oostenrijkse filosoof Rudolf Steiner. Uitgangspunt hierbij
is de samenhang tussen plant, dier, bodem en kosmos en er wordt
gestreefd naar een kringloop van eigen voer en eigen mest.
Begin 2002 telde Nederland ruim 1500 biologische agrarische bedrijven.
Samen besloegen zij circa 1,64% van het totale landbouwareaal
in Nederland. Internationaal neemt het aantal biologische bedrijven
en de afzet van biologische producten toe, zij het zeer langzaam.
Uit recente cijfers blijkt echter dat het Nederlandse areaal biologische
teelt in 2003/2004 afneemt.
De Nederlandse
overheid streeft naar een marktaandeel van biologische producten
van 5% in 2004.Voor aardappelen is dit aandeel al bereikt met
zo'n 7 %. Biologische groenten hebben een aandeel van 4,5 %. Voor
fruit is dit echter pas 1,7 %.
De burger staat positief tegenover biologische productie, maar
in hun rol als consument blijkt tot nu toe dat slechts een klein
percentage ook bereid is daar meer voor te betalen.
Wetgeving
biologische teelt
De
regelgeving voor biologische productie in Nederland stamt uit
1985 met privaatrechtelijke regels van de S.E.C. (Stichting EKO-merk
Controle). In 1991 werd de EU-verordening EEG nr. 2092/91 voor
biologische productiemethoden gepubliceerd, waarin de regels voor
de plantaardige biologische productie werden vastgelegd. In 2000
werd deze verordening ook van kracht voor de dierlijke biologische
productie. In Nederland wordt deze verordening doorgevoerd via
het landbouwkwaliteitbesluit biologische productiemethode. Dit
besluit bepaalt dat Skal de toezichthoudende instantie is op de
naleving van de regels. De landbouwkwaliteitsregeling biologische
productiemethode geeft nadere invulling aan bepaalde onderdelen
van het besluit.
Gebruik van biologisch
uitgangsmateriaal
Het gebruik
van biologisch uitgangsmateriaal voor akkerbouwgewassen lijkt
te zijn toegenomen in Nederland. Er is dit jaar duidelijk meer
vraag naar dan in de afgelopen jaren. Voor groentegewassen is
de vraag in Nederland niet toegenomen voor de gewassen die niet
op de annex staan, maar wel voor de gewassen die wel op de annex
staan. Het aantal aanvragen voor ontheffingen door plantenkwekers
blijft overigens ongeveer gelijk. Ook in Frankrijk is een toename
geconstateerd van het gebruik van biologisch uitgangsmateriaal.
Om het gebruik
van biologisch uitgangsmateriaal verder te stimuleren is het zaak
dat de annex de komende jaren wordt uitgebreid. Plantum NL zal
de overheid verzoeken hiervoor actie te ondernemen. Het is verder van belang dat de ontheffingsprocedure voor gewassen
waarvan onvoldoende biologisch uitgangsmateriaal beschikbaar is,
zo eenvoudig en goedkoop mogelijk is.Vooral voor plantenkwekers
is dit wenselijk, omdat zij vaak de ontheffingsaavraag voor de
tuinder doen.
Ontheffing
voor gebruik niet-biologisch uitgangsmateriaal
Volgens de Europese regelgeving mag vanaf 2004 uitsluitend biologisch
zaad- en plantgoed gebruikt worden in de biologische teelt.
Aangezien niet voor alle gewassen voldoende biologisch teeltmateriaal
beschikbaar is, staat de EU in bepaalde gevallen ontheffingen
toe voor het gebruik van niet-biologisch uitgangsmateriaal. Zo
zal een algehele ontheffing gelden voor vegetatief vermeerderd
uitgangsmateriaal (m.u.v. pootaardappelen). Verder kunnen lidstaten
een ontheffing verlenen op verzoek van een boer voor gewassen
of rassen die in het geheel niet beschikbaar zijn of als het uitgangmateriaal
niet op tijd geleverd kan worden, of als er geen redelijk alternatief
ras is of wanneer materiaal benodigd is voor onderzoek in kleinschalige
proeven.
Er mag géén ontheffing verleend worden aan gewassen
en rassen die in de Annex van de verordening zijn opgenomen. Een
uitgebreid overzicht van de Nederlandse situatie kunt u lezen
op: ontheffingen
Elke lidstaat moet een database opzetten waarin de beschikbaarheid
van biologische uitgangsmateriaal wordt opgenomen. Deze is voor
Nederland te raadplegen via: www.biodatabase.nl
Machtiging voor ontheffingsverzoek voor gebruik gangbaar uitgangsmateriaal in biologische teelt voor de plantenkweker
Vanaf 1 juni 2006 kunnen plantkwekers door Skal gecontroleerd worden op het in bezit hebben van machtigingen van telers voor het doen van ontheffingsaanvragen voor het gebruik van gangbaar zaaizaad voor biologisch plantmateriaal.
Volgens de EU-regelgeving over gebruik van gangbaar uitgangsmateriaal voor de opkweek van biologisch pootgoed is de teler verantwoordelijk voor een ontheffingsaanvraag voor het gebruik van gangbaar zaaizaad of pootgoed. Dit levert bij gebruik van teeltmateriaal waarbij een plantenkweker wordt ingeschakeld problemen op.
Daarom is er door het ministerie van LNV, Skal en Plantum NL gesproken over de mogelijkheid om de aanvraag voor ontheffingen te laten doen door plantenkwekers in Nederland. Afgesproken is dat een plantenkweker een ontheffingsaanvraag kan doen voor biologisch uitgangsmateriaal namens de telers, mits hij/zij hiervoor gemachtigd is. De hiervoor benodigde machtiging tot indienen ontheffingsverzoek voor gebruik gangbaar uitgangsmateriaal in biologische teelt is beschikbaar in het Nederlands en het Engels.
Daarom is besloten dat plantenkwekers er voor moeten zorgen dat zij een eenmalige machtiging krijgen van de telers om de ontheffingsaanvragen zonodig mogen te doen. Een voorbeeld voor een Nederlands- en Engelstalige versie zijn hiervoor bijgevoegd.
Ook is er op het ontheffingsaanvraagformulier een zin opgenomen dat indien aanvraag door plantenkweker gedaan wordt deze gemachtigd is door de teler.
Om een overgangstermijn te hebben voor plantenkwekers om de machtigingen te verzamelen is afgesproken dat de machtigingsformulieren per direct beschikbaar zijn en dat de plantenkwekers vanaf 1 juni 2006 gecontroleerd kunnen worden op het in bezit zijn van de machtigingen.
Voor wat betreft de ontheffingen voor materiaal dat naar het buitenland geëxporteerd wordt is er een probleem waar de ontheffingsaanvraag gedaan moet worden. In het ene land wordt geëist dat dit in het land van bestemming moet gebeuren, terwijl in het andere land geëist wordt dat dit in het land van afkomst moet gebeuren. Er wordt geconstateerd dat de plantenkweker hierdoor in de problemen kan komen, in het bijzonder voor die gewassen die in Nederland op de nationale annex zijn geplaatst, of waar rassen wel in de Nederlandse database staan en niet in de buitenlandse.
Op dit moment is er niet direct een goede oplossing voor het probleem te vinden. Afgesproken is dat de plantenkweker van de volgende opties gebruik kan maken indien hij een ontheffing nodig heeft voor teeltmateriaal dat geëxporteerd wordt:
- Hij vraagt ontheffing in Nederland aan en zal die krijgen voor producten waarvoor in Nederland ontheffing kan worden verkregen; de plantenkweker dient hiervoor net als van de Nederlandse teler ook van de buitenlandse teler een machtiging te hebben;
- Hij zorgt ervoor dat hij uiterlijk bij de export van het plantgoed in het bezit is van een ontheffing op naam van de teler waarvoor het materiaal bestemd is; of
- Hij zorgt ervoor dat hij de teelt in de vorm van een dienst uitvoert, waarbij hij het zaad van de teler verkrijgt, die dan verantwoordelijk is voor de ontheffing (kopie bij de plantenkweker).
Biologische veredeling en vermeerdering
De laatste vijf tot tien jaar hebben verschillende veredelingsbedrijven
activiteiten ondernomen om uitgangsmateriaal te produceren dat
geschikt is voor de biologische landbouw. Hierbij wordt uitgegaan
van huidige Europese regelgeving; de EG-Verordening 1804/1999
welke een aanvulling vormt op EG-verordening 2092/91. Bij de productie van zaaizaad moet een biologische teeltmethode
worden toegepast en mag er geen gebruik worden gemaakt van GGO's
(definitie als in Richtlijn 90/220). Een aantal veredelingsbedrijven
zien de biologische teelt als vernieuwend, uitdagend en potentieel
commercieel interessant. Zij brengen al geruime tijd biologisch
geteeld zaad op de markt die geschikt zijn voor de biologische
teelt. Verder voeren de bedrijven rassenproeven uit onder biologische
omstandigheden. In de jaarlijkse Groene Zaden Gids maakt het Louis
Bolk Instituut een overzicht van het beschikbare uitgangsmateriaal.
In oktober
2001 zijn een tweetal bijeenkomsten georganiseerd door het Louis
Bolk Instituut en Platform Biologica met als doel de eisen te
formuleren voor de productie van biologisch
uitgangsmateriaal. Deze eisen zouden beter bij de biologische
ideeën moeten aansluiten. De discussies hebben geleid tot
het volgende voorstel: De
biologische landbouw kan gebruik maken van biologisch geproduceerd
zaad van conventionele rassen en/of biologische rassen. Rassen
die niet veredeld zijn door één van de volgende
technieken: genetische modificatie, CMS hybriden zonder herstellergenen,
protoplastenfusies en mutatie-inductie met behulp van bestraling
en/of chemicaliën, kunnen voor de productie van biologisch
zaad worden gebruikt. Het ontwikkelen van biologische rassen kan
alleen in een gecertificeerd biologisch veredelingsprogramma,
waarin alleen traditionele veredelingstechnieken gebruikt worden,
waarbij de plant altijd in contact is met de natuurlijke bodem.
Een uitzondering is gemaakt voor de vermeerdering van meristemen
om virusvrij materiaal op te kunnen kweken. Het blijft mogelijk
om fertiele F1-hybriden te produceren. Sinds
26 augustus 2002 kan er geen materiaal meer uitgewisseld worden
tussen traditionele en biologische programma's.
De sector
uitgangsmateriaal ziet de biologische markt als een kleine markt.
Zij wil deze markt voorzien van biologisch uitgangsmateriaal als
dit economisch rendabel is. Randvoorwaarden daarbij zijn dat regels
te handhaven zijn en dat de ontwikkelings- en productiekosten
economisch verantwoord zijn.
Voor de productie
van biologisch zaad is het noodzakelijk dat:
- na
1 januari 2004 geen ontheffing meer mogelijk is voor het gebruik
van niet-biologisch geproduceerde zaden voor de biologische
productie van gewassen of vruchten.
- duidelijkheid
wordt verschaft over de aanpassing van de biologische productierichtlijn
en mogelijke aanscherpingen die te verwachten zijn voor biologisch
zaad.
- duidelijkheid
komt over de termijn waarin de biologische sector gebruik zal
kunnen blijven maken van biologisch zaad of uitsluitend over
gaat op biologische rassen. Er dient rekening gehouden te worden
met het feit dat het leveren van kwalitatief goed biologisch
zaad moeilijk is, vooral bij de tweejarige gewassen. Dit leidt
tot een hogere prijs van het biologisch zaad ten opzichte van
de conventionele teelt en een kleiner sortiment rassen.
Biologische
rassen
Plantum NL is van mening dat de biologische telers en de consument
de vraag moeten beantwoorden of bepaalde veredelingstechnieken,
selectiemethoden en instandhoudingsystemen passen in het kader
van de biologische teelt. Een deel van het veredelingsbedrijfsleven
is bereid om een gedeelte van het veredelingsprogramma te richten
op de biologische teelt. Dit zal echter sterk worden beïnvloed
door de keuzes die de verdere biologische keten maakt. Het huidige
voorstel waarbij slechts een beperkt aantal technieken wordt toegestaan,
zal een onoverkomelijke barrière voor de bedrijven zijn
om ook daadwerkelijk aan biologische veredeling te beginnen, omdat
de benodigde tijd voor het veredelingsprogramma langer wordt,
een lagere efficiëntie behaald wordt en het hoge kosten met
zich meebrengt. Dit heeft consequenties voor de prijs van het
biologisch zaad. Inperking van uitwisseling van materiaal tussen
traditionele -en biologische veredelingsprogramma's zal de synergie
tussen beide programma's ernstig bemoeilijken.
Het marktaandeel
van het biologisch uitgangsmateriaal is te klein. Een op zichzelf
staand veredelingsprogramma voor biologische rassen, dat geen
gebruik mag maken van de resultaten uit de andere programma's,
is daarom uit bedrijfseconomisch oogpunt niet realistisch. Gecertificeerde
biologische programma's, zoals nu voorgesteld, zijn niet gewenst
en ook niet uitvoerbaar voor de sector uitgangsmateriaal. Het
gebruik van een aantal van de verboden technieken is niet aantoonbaar
in het eindproduct en kan dus niet gehandhaafd worden. Snel reageren
op veranderingen in de omgeving wordt bemoeilijkt door de inperking
van het gebruik van de diverse technieken
Plantum NL
is ervan overtuigd dat de door de biologische sector voorgestelde
beperkingen zeer nadelig zullen zijn voor de verdere ontwikkeling
van de sector. Plantum NL stelt daarom voor om de oorspronkelijke
invulling van de EG-verordening 1804/1999 (aanvulling op de EG-verordening
2092/91) onverkort te handhaven voor biologisch zaad en biologische
rassen. Dit houdt in: Biologische teeltmethode bij de productie
van zaaizaad en geen gebruikmaking van GGO's.
Links
naar relevante organisaties in de biologische sector:
- Platform
Biologica
(beleids- en promotieorganisatie voor biologische landbouw en
voeding.)
- SKAL
(Stichting Skal is door het ministerie van LNV aangewezen voor
het toezicht op de biologische productie in Nederland. Stichting
Skal is wettelijk houdster van het EKO-keurmerk.)
- Demeter
(Vereniging voor biologisch-dynamische landbouw en voeding.)
- Biodatabase
(Databank met biologisch zaad en plantgoed.)
- Louis
Bolk Instituut
(Onderzoeksinstituut voor de biologische landbouw.)
|