
Intellectueel eigendom
Met het intellectueel eigendomsrecht kunnen uitvinders of ontwikkelaars van nieuwe producten een exclusief recht krijgen op hun product. Dit stelt hen in staat om gedurende een bepaalde periode inkomsten uit dat product te verwerven om zo gedane investeringen terug te kunnen verdienen en verder in de ontwikkeling van nieuwe plantenrassen te investeren. Op het gebied van de ontwikkeling en exploitatie van plantenrassen zijn met name het kwekersrecht, het octrooirecht en het merkenrecht van belang.
Plantum NL heeft op 6 mei jl. het volgende standpunt inzake octrooi-kwekersrecht ingenomen.
Het dossier Intellectueel Eigendom wordt behandeld door de Hoofdcommissie Intellectueel Eigendom. Klik op onderstaande links voor meer gedetailleerde informatie
Nationaal kwekersrecht
Het kwekersrecht beoogt enerzijds de kweker van een nieuw plantenras zeggenschap te geven over het gebruik van dat ras en anderzijds te bevorderen dat er wordt geïnvesteerd in veredeling waardoor er nieuwe rassen beschikbaar komen voor de maatschappij.
Aan het begin van de 20e eeuw ontstond in de landbouw de behoefte aan betere rassen. Hierdoor werd het kweekwerk in gewassen sterk gestimuleerd. Via de in 1924 gestarte Aanbevelende Rassenlijst en de in 1932 opgerichte Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst (NAK) werden de rasgegevens verspreid en werd de kwaliteit van het zaaigoed gewaarborgd. De kweker kreeg tenslotte in 1941 het recht op een stelselmatige vergoeding voor het kweekwerk uit het toenmalige kwekersvergoedingen-fonds. Door het toenemende aantal rassen ontstond de behoefte aan de identificeerbaarheid van plantenrassen. De rassen werden in verband met ordening en keuring ingeschreven in een Centraal Rassenregister voor de verlening van kwekersrecht.
UPOV
UPOV (l’Union internationale pour
la Protection
des Obtentions Végétales) is een intergouvernementele organistie met als missie een wereldwijde bescherming van nieuwe plantenrassen via het intellectuele eigendomsrecht. Op basis van het UPOV-verdrag van 1961 is in 1967 de Zaaizaad- en Plantgoedwet (ZPW) in Nederland tot stand gekomen. Door deze wet kreeg de kweker het volledige exclusieve recht over het commercieel verhandelde teeltmateriaal. De kweker diende zelf de licenties te innen. Dit werd niet langer vergoed uit een fonds. In 1998 is het UPOV-verdrag van 1991 van kracht geworden. Ook Nederland heeft dit ondertekend. Met ingang van 1998 is de ZPW aangepast naar aanleiding van de eisen van UPOV '91. Mede door al deze wijzigingen was de structuur van de ZPW inmiddels verworden tot een onsamenhangend geheel. Met de herziening van 2005 is er weer een duidelijke wet ontstaan met werkbare procedures en regels.
Op dit moment kent UPOV 62 leden. De meesten hebben zich aangesloten bij het verdrag van 1991, maar er zijn ook nog landen die slechts het verdrag van 1978 of zelfs van 1961 hebben geratificeerd. Indien men in één van de UPOV-lidstaten kwekersrecht wil aanvragen, dient dit altijd te gebeuren bij het betreffende land zelf. Op de website van UPOV vindt u ook de wetgeving van alle UPOV-lidstaten.
ZPW 2005
Op 1 februari 2006 is de nieuwe Zaaizaad- en Plantgoedwet (ZPW 2005) in werking getreden. De tekst van de wet, de twee AMvB’s en de twee Ministeriële Regelingen die hiertoe behoren vindt u hieronder.
ZPW 2005
ZPW memorie van toelichting
AMvB Raad voor Plantenrassen
AMvB verhandeling teeltmateriaal
Ministeriële Regeling Raad voor Plantenrassen
Ministeriële Regeling verhandeling teeltmateriaal.
Het exclusieve recht van de kwekersrechthouder omvat de volgende rechten:
- het voortbrengen van het ras;
- het vermeerderen van het ras;
- het ten behoeve van de vermeerdering behandelen van het ras;
- het in de handel brengen van het ras;
- het uitvoeren van het ras;
- ·het invoeren van het ras;
- ·het voor één van deze doeleinden in voorraad hebben van het ras
- ·het laten verrichten van één van de hierbovenstaande handelingen.
Met het van kracht worden van UPOV '91 geldt dit exclusieve recht tevens op van het oorspronkelijk beschermde ras wezenlijk afgeleide rassen. Daarnaast heeft de kwekersrechthouder sinds UPOV '91 de mogelijkheid om zijn recht op het geoogst materiaal, of op producten die rechtstreeks zijn vervaardigd met gebruikmaking van geoogst materiaal, uit te oefenen indien hij geen mogelijkheid heeft gehad om zijn recht in eerdere instantie op het teeltmateriaal uit te oefenen.
Met het verstrekken van licenties kan de kwekersrechthouder derden het recht geven om tegen betaling en/of onder bepaalde voorwaarden bovengenoemde handelingen met teeltmateriaal van beschermde rassen te verrichten.
Verkrijging van kwekersrecht
Om in aanmerking te komen voor kwekersrechtelijke bescherming dient een ras aan een aantal criteria te voldoen. Dit zijn de volgende criteria:
1. Er moet sprake zijn van een ras. Dit is in het kwekersrecht gedefinieerd als een plantengroep binnen een botanisch taxon van de laagst bekende rang, welke groep kan worden gedefinieerd aan de hand van de expressie van de eigenschappen die het resultaat is van een bepaald genotype of een combinatie van genotypen. De expressie van eigenschappen, het fenotype, is dus doorslaggevend om te kunnen bepalen of er sprake is van een zelfstandig ras. Daarbij dient die plantengroep zich te onderscheiden van elke andere plantengroep op grond van de expressie van tenminste één van die eigenschappen.
2. Het betreffende ras dient nieuw te zijn. Een ras wordt als nieuw aangemerkt wanneer op de datum van indiening van de aanvraag tot kwekersrecht geen teeltmateriaal of geoogst materiaal van het ras is verkocht of anderszins ter beschikking is gesteld aan derden voor een periode die in Nederland niet langer mag zijn dan een jaar. Buiten Nederland mag deze periode niet langer zijn dan vier jaar, of zes jaar voor bomen of wijnstokken.
3. Het ras moet onderscheidbaar zijn van elk ander ras waarvan het bestaan op het tijdstip van de indiening van de aanvraag algemeen bekend is.
4. Het ras moet homogeen zijn. Dit wil zeggen dat het voldoende eenvormig is voor wat betreft de van belang zijnde eigenschappen. Hierbij wordt de variatie die samenhangt met de vermeerderingswijze in acht genomen (verschil tussen vegetatieve vermeerdering, hybriden, zelf- of kruisbevruchtende gewassen).
5. Het ras moet voldoende bestendig zijn. Dit betekent dat de van belang zijnde eigenschappen van een ras onveranderd blijven na achtereenvolgende vermeerderingen, dan wel aan het einde van iedere vermeerderingscyclus.
De bovenstaande eisen onder punt 3, 4 en 5 staan bekend als de DUS-vereisten (distinctness, uniformity en stability).
Naast de hierboven genoemde eisen dient de aanvrager een naamsvoorstel te doen voor het ras. Dit kan zowel een 'fancyname' zijn als een code. Belangrijk is dat met de voorgestelde naam het ras voldoende geïdentificeerd kan worden. De aanvraag voor Nederlands kwekersrecht wordt ingediend bij de Raad voor Plantenrassen te Ede. De verantwoordelijkheid voor het kwekersrechtonderzoek ligt bij de Naktuinbouw te Roelofarendsveen.
Uitzonderingen
Op dit recht van de kweker worden een tweetal uitzonderingen gemaakt. De eerste uitzondering is het recht voor een teler om gebruik te maken van eigen vermeerderd zaaizaad of pootgoed voor de productie van eindproduct: het zogenaamde 'farmers' privilege'. Dit is echter geen algemeen recht. Allereerst geldt dit recht in Nederland alleen voor de gewassen aardappel en graan. Voor alle overige gewassen is het gebruik van eigen zaaizaad of pootgoed dus verboden. Een teler mag alleen gebruik maken van eigen zaaizaad of pootgoed indien de teler hiervan uit zichzelf melding maakt aan de kwekersrechthouder vóór de 15e mei van het kalenderjaar waarin de eigen geplante teelt zal worden geoogst. Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat dit gebruik tot het eigen bedrijf beperkt blijft. Daarbij geldt dat, als een teler gebruik maakt van eigen zaaizaad of pootgoed, hij verplicht is om de kwekersrechthouder van het betreffende ras een vergoeding te betalen. In de regel is dit een bepaald percentage van de normale royaltyvergoeding voor het ras. Voor aardappelen is dit in de huidige wet vastgesteld op 60%, bij granen op tenminste 60%. Op dit moment geldt voor granen een percentage van 65% dat is afgesproken in een overeenkomst tussen Plantum NL en LTO.
Het is echter ook mogelijk voor de kwekersrechthouder en de teler om onderling een afwijkende afspraak te maken.
Voor meer informatie zie ook www.eigenzaaizaad.nl
De tweede uitzondering op het recht van de kwekersrechthouder is het recht voor anderen om gebruik te maken van beschermde rassen die op de markt verkrijgbaar zijn ten behoeve van de ontwikkeling van nieuwe rassen: de zogenaamde 'breeders' exemption'. Deze uitzondering is van wezenlijk belang om ervoor te zorgen dat er voldoende materiaal van rassen vrij beschikbaar is voor de veredeling. Het octrooirecht kent deze zgn. "breeders exemption" in principe niet (zie verder octrooirecht).
Terug naar index
Europees kwekersrecht
Sinds 1994 is de Communautaire kwekersrechtverordening van kracht. Inwoners van de 25 lidstaten van de Europese Unie kunnen met één aanvraag kwekersrecht verkrijgen op een ras voor het gehele Europese grondgebied. Dit communautaire kwekersrecht is supra-nationaal geregeld. Dat betekent dat het Europese systeem onafhankelijk van de nationale systemen functioneert. Een aanvraag voor Europees kwekersrecht wordt ingediend bij het Communautair Bureau voor Plantenrassen (CPVO) in Angers te Frankrijk. Sinds 29-07-2005 is de Europese Unie (met haar eigen systeem) als lid toegetreden tot UPOV.
Terug naar index
Octrooirecht
Wettelijke bescherming van technische vindingen, zoals nieuwe of verbeterde producten, werkwijzen of apparaten, kan men verkrijgen op basis van het octrooirecht. Een verleend octrooi, oftewel patent, bestaat uit een tekst die de uitvinding beschrijft. Voor ieder land afzonderlijk kunnen octrooirechten worden verkregen, maar in Europa bestaat ook de mogelijkheid om bij het Europees Octrooibureau een octrooi te verkrijgen voor 32 landen. In Nederland geschiedt een aanvraag bij het Octrooicentrum Nederland. Verder kan een internationaal octrooi worden aangevraagd voor zo'n 120 landen, die aangesloten zijn bij het zogenaamde PCT-verdrag.
Met het octrooirecht kan de houder verbieden derden het beschermde product vervaardigen, invoeren of toepassen. De octrooihouder kan aan derden licenties verlenen om deze handelingen
met het octrooi uit te kunnen oefenen.
In de Verenigde Staten kunnen plantenrassen van vegetatief vermeerderde gewassen, met uitzondering van aardappelen, slechts onder het octrooirecht worden beschermd. Voor een dergelijke ras wordt een Plant Patent verleend door het US PTO (United States Patent and Trademark Office).
Generatief vermeerderde gewassen vallen echter onder de bescherming van de Plant Variety Protection Act en kunnen dus wel onder het kwekersrecht worden beschermd. Zie voor meer informatie de website van de Plant Variety Protection Office USA
Uitzonderingen
Evenals op de rechten van een kwekersrechthouder, bestaan er ook uitzonderingen op de rechten van een octrooihouder. Het uitsluitend recht strekt zich bijvoorbeeld niet uit over handelingen, uitsluitend dienende tot onderzoek van het geoctrooieerde, daaronder begrepen het door toepassing van de geoctrooieerde werkwijze rechtstreeks verkregen voortbrengsel: de zogenaamde 'research exemption'.
Terug naar index
Richtlijn bescherming biotechnologische uitvindingen (Biotechnologierichtlijn)
De Europese Biotechnologierichtlijn biedt bescherming aan biotechnologische uitvindingen. Op deze uitvindingen kan octrooirechtelijke bescherming verkregen worden. Niet octrooieerbaar zijn planten- en dierenrassen en werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten of dieren. Een uitvinding die betrekking heeft op planten of dieren is slechts octrooieerbaar als de uitvoerbaarheid van die uitvinding zich technisch gezien niet beperkt tot een bepaald planten- of dierenras. De bescherming van het octrooi strekt zich echter uit tot ieder biologisch materiaal dat hieruit door vermeerdering wordt gewonnen en dat dezelfde eigenschappen heeft. Het kan dus zijn dat de reikwijdte van een octrooi zich uiteindelijk feitelijk toch uitstrekt tot plantenrassen.
Wanneer een kwekersrechthouder zijn rechten niet kan uitoefenen zonder inbreuk te maken op een octrooirecht van eerdere datum en hij geen contractuele licentie verkrijgt van de octrooihouder, kan hij een dwanglicentie aanvragen indien dat noodzakelijk is voor de exploitatie van zijn ras. Hiervoor moet de kwekersrechthouder echter aantonen dat zijn ras een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt ten opzichte van de geoctrooieerde uitvinding. Het spiegelbeeld van deze regeling is ook opgenomen voor de octrooihouder. Deze op het eerste gezicht redelijke oplossing zorgt in de praktijk voor grote problemen.
Allereerst is het probleem dat de in het kwekersrecht geldende 'breeders' exemption' niet dezelfde reikwijdte heeft als de in het octrooirecht geldende 'research exemption'. De laatste uitzondering wordt veel beperkter uitgelegd. Dit betekent dat het verrichten van veredelingsactiviteiten met rassen die geoctrooieerde uitvindingen bevatten niet toegestaan zou zijn zonder de toestemming van de octrooihouder. Dit heeft tot gevolg dat de 'breeders' exemption' uit het kwekersrecht geblokkeerd zou kunnen worden door de octrooihouder. De regeling van de dwanglicentie geeft hier geen oplossing voor. Een kwekersrechthouder kan immers aan het begin van zijn veredelingstraject onmogelijk aantonen dat zijn ras (wat hij nog moet ontwikkelen) een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt ten opzichte van de geoctrooieerde uitvinding.
Opmerkelijk is dat Frankrijk en Duitsland, in tegenstelling tot Nederland, bij de implementatie van de Biotechnologierichtlijn wel een breeder’s exemption hebben opgenomen in hun nationale octrooiwet.
Terug naar index
Merkenrecht
Benelux Merkenrecht
Sinds 1 september 2006 is het Benelux Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom in werking getreden. Dit verdrag komt in de plaats van het Benelux-Verdrag inzake de warenmerken en het Benelux-Verdrag inzake tekeningen of modellen. Tevens zijn het voormalig Benelux-Merkenbureau en het Benelux-Bureau voor Tekeningen of Modellen gefuseerd tot het Benelux Bureau voor de intellectuele eigendom (BBIE).
Om bescherming van het merkenrecht te kunnen genieten, moet een merk zijn gedeponeerd. Een merk wordt gedeponeerd in één of meerdere klassen waarvoor het merk gebruikt wordt. Het Benelux- Bureau voor de intellectuele eigendom is gevestigd in Den Haag en registreert merken (maar ook modellen of tekeningen). Bescherming van een merk geldt voor een (verlengbare) periode van tien jaar na inschrijving in het depot. Wie een merkrecht verkrijgt in Nederland, geniet bescherming in de hele Benelux. Eén van de vereisten voor bescherming is dat een nieuw merk zich onderscheid van al bestaande merken. Benamingen (woorden), tekeningen, vormen, logo's kunnen als merk worden beschouwd indien hiermee het product kan worden geïdentificeerd. Het BBIE controleert bij inschrijving niet of uw merk in conflict is met reeds ingeschreven merken. Dit is uw eigen verantwoordelijkheid, al kunt u dit wel uitbesteden aan het BBIE. U kunt hiervoor sinds januari 2006 zelf gebruikmaken van het gratis te raadplegen merkenregister van het BBIE, waarin u ook in de Europese en internationale registers kunt zoeken naar merken die geldig zijn in de Benelux.
De rechter kan een merk op verzoek van een belanghebbende nietig of vervallen verklaren, indien het niet voldoende onderscheidingskracht bezit ( dit geldt zonder meer als het merk vijf jaar niet wordt gebruikt), indien het merk het publiek misleidt of als het merk tot een gebruikelijke benaming (een soortnaam) is geworden. Een kwekersrechtelijk beschermde naam wordt op basis van de Zaaizaad en Plantgoedwet beschouwd als een soortnaam. Wanneer er dus een rasnaam als merknaam wordt ingeschreven, is er direct een grond om het merk nietig te laten verklaren. Inbreuk op het recht moet door de merkhouder zelf actief worden gecontroleerd. Het gedogen van een inbreukmakende situatie zou op termijn zelfs kunnen leiden tot verlies van het onderscheidend vermogen van het eigen merk.
Internationaal Merkenrecht
Naast bescherming in de Benelux kunnen merken in veel landen worden beschermd volgens internationale registratie op basis van het Verdrag van Madrid. De registratie loopt via het nationale merkenbureau, die de aanvraag doorstuurt naar de Wereld Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO) in Genève. Die stuurt het weer door naar de landen die de aanvrager gekozen heeft uit de lijst van aangesloten landen (de VS en de EU zijn inmiddels ook lid van het Verdrag). Voor de landen die de registratie accepteren, wordt één internationale registratie verkregen.
Een andere mogelijkheid is één registratie voor de EU (het zgn. Gemeenschapsmerk). Het Europees Merkenbureau in Allicante, Spanje, verzorgt zelf de registratie.
Terug naar index
Links
Voor meer informatie over Intellectueel Eigendomsrechten kunt u kijken op:
Raad voor plantenrassen (site bevat Nederlands rassenregister)
Kwekersrecht rassenonderzoek
CPVO (site bevat register Europese kwekersrechten)
UPOV
Octrooicentrum Nederland (site bevat Nederlands octrooiregister)
Europees Octrooibureau (site bevat Europees octrooiregister)
Benelux Bureau voor de intellectuele eigendom (site bevat Benelux Merkenregister)
Europees Merkenbureau (site bevat register Gemeenschapsmerken)
World Intellectual Property Organization (site bevat zoekmachine internationale octrooien en merken)
Boek9 (actuele informatie met betrekking tot intellectuele eigendom)
VKC (Vaste Keurings Commissie voor het verkrijgen van veilingcodes)
Terug naar index
|