Persberichten
Plantum NL
Hieronder vindt u de persberichten van Plantum NL per jaargang vanaf 2001.
De nieuwste persberichten
oude persberichten uit 2010
oude persberichten uit 2009
oude persberichten uit 2008
oude persberichten uit 2007
oude persberichten uit 2006
oude persberichten uit 2005
oude persberichten uit 2004
oude persberichten uit 2003
oude persberichten uit 2002
oude persberichten uit 2001
Groeilicht in de glastuinbouw; publicatie van LTO Noord en Glaskracht.
Glastuinbouw werkt aan een duurzame oplossing en zet in op kassen waarbij alleen de plant profiteert van groeilicht en de omgeving er geen hinder van ondervindt. Hier vindt u de volledige publicatie van LTO Noord en Glaskracht.
VROM inspectie start met handhaving Besluit verpaking
Staatssecretaris Van Geel heeft de VROM-inspectie opdracht gegeven bedrijven te gaan controleren of zij voor het Besluit Verpakkingen zijn aangesloten bij een collectieve uitvoeringsorganisatie of dat zij zelf een mededeling hebben ingediend. Nedvang heeft met de VROM-inspectie afgesproken dat bedrijven die zich bij Nedvang hebben ge-preregistreerd voorlopig niet gecontroleerd worden. Deze bedrijven krijgen van de VROM-inspectie de gelegenheid om zich vanaf eind november officieel als deelnemer te registreren. Daarmee voldoen bedrijven voor 2006 formeel aan het Besluit Verpakkingen. Ook de stichting bedrijfsverpakkingen Nederland is door VROM erkent als uitvoeringsorganisatie.
Ontwerp Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden 24 oktober naar Tweede Kamer gestuurd
Op dinsdag 24 oktober is het ontwerp Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden door minister Veerman van LNV en de Staatssecretaris van VROM naar de tweedekamer gestuurd.
De volledige tekst van de brief vindt u hier
De Nota van Toelichting bij ontwerp Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden vindt u hier
Het Ontwerp Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden vindt u hier
Rijk Zwaan organiseert Plant Sciences Award 2006
Welke student heeft dit jaar de beste scriptie of afstudeeronderzoek
op het gebied van plantenwetenschappen? Om die vraag te beantwoorden zal Rijk Zwaan jaarlijks de Rijk Zwaan Plant Sciences Award uitreiken. Met deze wedstrijd wil Rijk Zwaan meer positieve aandacht creëren voor de plantenwetenschappelijke studies op de diverse universiteiten in Nederland.
Aan de Nederlandse universiteiten loopt het aantal studenten in de plantenwetenschappen al jaren gestaag terug. En dat terwijl niet alleen Rijk Zwaan, maar de gehele Nederlandse tuinbouw de komende jaren juist een groot aantal hoogopgeleide mensen hard nodig heeft.
Eén van de initiatieven die Rijk Zwaan heeft genomen om dit tij te keren, is het instellen van de RZ Plant Sciences Award. Studenten die zijn afgestudeerd op een plantkundig thema wordt gevraagd hun afstudeerverslag in te zenden. Rijk Zwaan heeft een onafhankelijke jury bereid gevonden om uit de inzenders de beste scriptie of onderzoek te kiezen.
Deze jury is samengesteld uit prof. dr. R.J. Bino, algemeen directeur Plant Sciences Group van de Wageningen Universiteit en Researchcentrum; prof. dr. M. Haring, hoogleraar plantenfysiologie aan de Universiteit van Amsterdam; prof. dr. J.C.M. Smeekens, hoogleraar moleculaire plantenfysiologie aan het Departement Biologie van de Universiteit Utrecht en ir. J.A.M. den Besten, docent Groententeelt en Plantenveredeling aan de Green Business School van HAS Den Bosch.
Kenmerken als originaliteit, innovatie en praktische toepasbaarheid zijn belangrijke criteria bij de keuze van de winnende scriptie/onderzoek. Naast de eer van het winnen van de RZ Plant Sciences Award stelt Rijk Zwaan ook € 1.500 beschikbaar en mag de winnaar op werkbezoek naar één van de 17 buitenlandse Rijk Zwaanvestigingen. De scripties kunnen tot 1 december 2006 worden ingediend. De uitreiking van de RZ PS Award is gepland in april 2007. Meer informatie kunt u vinden op www.rijkzwaan.com/ps-award.
Tuinbouw intensief betrokken bij vernieuwend concept voor Floriade 2012
In de Nederlandse Tuinbouwraad (NTR) werken 13 tuinbouworganisaties samen, met als belangrijkste taak het realiseren van een Floriade iedere tien jaar. Ook onze organisatie is in de NTR vertegenwoordigd.
Onder de naam Operatie reFresh heeft de NTR het initiatief genomen om voor de Floriade in 2012 een vernieuwend concept te ontwikkelen. Hierbij is een groep van zo’n 150 ondernemers en andere vertegenwoordigers vanuit de tuinbouw en de regio Venlo intensief betrokken.
Hieronder volgt het vernieuwende concept op hoofdlijnen.
Operatie reFresh de Floriade
Een groep vertegenwoordigers vanuit de tuinbouw en vanuit Regio Venlo is gestart met het luisteren naar deskundigen die een beeld schetsten hoe de wereld er uit ziet in 2012 en welke eisen een bezoeker dan aan een evenement stelt. Gewapend met deze kennis zijn de contouren voor een vernieuwende Floriade geschetst. Hierna hebben workshops gezorgd voor een stroom aan creatieve ideeën uit de sector en uit de regio zelf.
Het evenement
Floriade 2012 moet op de eerste plaats een belevenis zijn dat, zowel voor bezoekers als via de media, veel te bieden heeft. In het concept bestaat Floriade 2012 uit een centraal evenement voor een brede doelgroep en een aantal bijzondere mini-evenementen dat specifieke doelgroepen aanspreekt en waarmee veel media-aandacht kan worden bereikt.
Het hart van de bloembladen is het centrale evenement, een bijzondere belevenis in de Euregio. Daaromheen verschijnen een voor een de bloembladen; een vijftal speerpunten die een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het leven. De Floriade 2012 richt zich hierop met specifieke activiteiten.
- Groene ruimtelijke ordening:
Een groene en fleurige woon- en werkomgeving waarin mensen zich beter voelen.
- Green Engine:
Nederlandse tuinbouw als wereldmarktspeler.
- Gezondheid:
De tuinbouw zorgt niet alleen voor onze dagelijkse gezonde portie groenten en fruit, de tuinbouw levert ook steeds meer grondstoffen met een genezende werking én vergeet niet de emotionele kracht van de sierteelt met een positief effect op het welbevinden van mensen.
- Growing Concepts:
Staat voor design, creativiteit, innovatie en fun met bloemen, planten, groenten en fruit.
- Leasure en pleasure
Geestelijke en lichamelijk verrijking door de tuinbouw. Het genieten van het leven door sport, spel, ontspanning, kunst en lekker eten;
De Groene energie
Als mogelijk zesde thema is Groene Energie genoemd. Dit staat voor een duurzame sector en een glastuinbouw die in 2012 hard op weg is energieleverancier te worden in plaats van gebruiker.
De boodschap
De Floriade in 2012 moet duidelijk overbrengen dat: de tuinbouwsector een aanzienlijke bijdrage aan de kwaliteit van het leven levert. De Floriade is hiervoor het podium.
Op 3 oktober 2006 is het officiële startschot gegeven aan de Floriade 2012. Bij deze feestelijke gelegenheid overhandigde Nico Koomen, voorzitter van de Nederlandse Tuinbouwraad, het concept voor de Floriade 2012, aan Paul Beck, directeur van de Floriade.
Het volledige rapport Operatie reFresh vindt u hier.
De Nederlandse Tuinbouwraad zet zich de komende jaren in om de plannen voor de Floriade in 2012 sámen met de ondernemers uit de sector en de Regio Venlo te ontwikkelen. Wij houden u op de hoogte!
Wilt u reageren op het vernieuwende concept Floriade 2012 of hebt u zelf ideeën in aanvulling hierop, mail ons dan: n.ros@vbn.nl
terug naar index
Meerderheid telers geeft gehoor aan meldplicht voor het gebruik van eigen zaaizaad en pootgoed
Ruim 11.000 van de 14.000 aangeschreven telers hebben gehoor gegeven aan de meldplicht voor het gebruik van eigen zaaizaad en pootgoed. De minderheid die niet gemeld heeft zal komend jaar aan een strengere controle onderworpen worden.
Sinds dit jaar geldt er een meldplicht voor het gebruik van eigen vermeerderd pootgoed van aardappelen en zaaizaad van granen (‘farm saved seed’). Telers kunnen het gebruik van kwekersrechtelijk beschermde rassen melden via de website www.eigenzaaizaad.nl of via een formulier.
Plantum NL
heeft dit formulier en de website ontworpen om het voor telers zo gemakkelijk mogelijk te maken om gehoor te geven aan de wettelijke meldplicht.
De formulieren zijn afgelopen voorjaar per post verspreid onder ongeveer 14.000 telers. Ruim 11.000 telers, 80% van de aangeschrevenen, hebben op deze oproep gereageerd. Een kwart van deze respondenten heeft gemeld via www.eigenzaaizaad.nl. Deze website biedt telers de mogelijkheid om op een eenvoudige en snelle manier hun gebruik van eigen zaaizaad en pootgoed te melden. De verwachting is dat het gebruik van deze website de komende jaren zal toenemen, ten koste van het papieren formulier.
Uit de gegevens van de aardappelhandelshuizen blijkt dat er ook telers zijn die wel eigen pootgoed vermeerderd hebben, maar het gebruik daarvan niet hebben gemeld. Aangezien het een wettelijke meldplicht betreft is dit strafbaar, ook al hebben deze telers al wel betaald voor dit pootgoed. Omdat
Plantum NL
zich kan voorstellen dat veel aardappeltelers nog moesten wennen aan de meldplicht is hier dit jaar nog coulant mee omgegaan. In de toekomst zal hier echter strenger naar gekeken worden.
Uit de meldingen blijkt tevens dat sommige vragen in het formulier niet voor iedereen duidelijk waren. Zo hebben veel pootgoedtelers abusievelijk reguliere pootgoedteelt gemeld als ‘farm saved seed’. Ook bleek uit uitgebreide controles door
Plantum NL
en haar leden dat veel telers zijn vergeten aan te kruisen dat ze al vergoeding afdragen via bijvoorbeeld de NAK of Avebe. Om bovengenoemde onduidelijkheden en foutieve meldingen te voorkomen wordt de vraagstelling en de toelichting in 2007 aangepast. Ook hebben de aardappelhandelshuizen besloten om nog voor de winter openheid te geven over de tarieven die zij rekenen voor het gebruik voor ‘farm saved seed’ van hun rassen in 2007.
Tot slot is sinds dit jaar is de teelt van een vanggewas verplicht na de teelt van maïs op zand- en lössgrond. Als vanggewas mag o.a. winterrogge gebruikt worden (geen voederrogge). Dit mag winterrogge uit eigen vermeerdering zijn, maar ook dit gebruik moet vóór 15 mei 2007 aan de kwekersrechthouder gemeld worden.
terug naar index
LNV blij met krachtige gesprekspartner Plantum NL
Donderdag 28 september beleefde
Plantum NL
haar eerste lustrum. Al 5 jaar verdedigt
Plantum NL
met verve de belangen van alle bedrijven actief in de sector plantaardig uitgangsmateriaal. Hoogtepunten in deze jaren waren het toegankelijk houden van de WBSO regeling voor veredelingsbedrijven, het initiëren en vormgeven van het Technologisch Topinstituut Groene Genetica en, recentelijk, het creëren van eenvoudige mogelijkheden om zaaizaden voor export te kunnen behandelen. In haar toespraak tijdens de Algemene Ledenvergadering van
Plantum NL
feliciteerde mevrouw Bergkamp, Directeur-Generaal van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
Plantum NL
dan ook met haar 5-jarig bestaan en prees bovendien
de inzet van Plantum
NL.
“Plantum NL is een krachtige organisatie die haar stem goed laat horen. Een organisatie met mandaat omdat vrijwel alle veredelings- en vermeerderingsbedrijven lid zijn van uw organisatie”, zo begon mevrouw Bergkamp, die sprak namens Minister Veerman, haar toespraak. Verder complimenteerde ze Plantum NL met het feit dat ze zich vastbijt in enkele kernthema’s en op deze punten dan ook een krachtige gesprekspartner vormt voor LNV. Dit niet in de laatste plaats omdat Plantum NL een zeer innovatieve en economisch belangrijke sector vertegenwoordigt. “Een dergelijk compliment is de kroon op ons harde werken.”, aldus
Aad van Elsen
, Directeur van Plantum NL, “Vijf jaar geleden bestond Plantum NL nog niet, nu staan we echter goed op de kaart en worden we serieus genomen.” “Een van onze sterke punten is inderdaad de hoge organisatiegraad in onze sector, een sterk punt dat we moeten koesteren!”
Het 5-jarig bestaan van
Plantum NL
en de recente successen op het gebied van gewasbescherming, TTI Groene Genetica en “Werken aan winst” zijn voor
Plantum NL
geen aanleiding om genoegzaam achterover te leunen. Ook de komende jaren zal
Plantum NL
zich hard maken voor het verminderen en vereenvoudigen van regelgeving, het (inter)nationaal verdedigen van de belangen van de sector en het nastreven van een level playing field. Kernpunten hierin zijn onder andere gewasbescherming, kwekersrecht, toegang tot genetische bronnen en een goed ondernemersklimaat. Een ander punt, waar ook mevrouw Bergkamp aan appelleerde in haar toespraak, is het samengaan van de 4 keuringsdiensten. Ingegeven door efficiency en een verlaging van de administratieve lastendruk pleit
Plantum NL
namelijk voor een samengaan van de 4 keuringsdiensten tot 2 keuringsdiensten, 1 specifiek voor uitgangsmateriaal met daarnaast de KCB. “Het samengaan van Naktuinbouw en de BKD zou een goed begin zijn. Hier is echter ook een duidelijke rol weggelegd voor de overheid. LNV is tenslotte toezichthouder en stelt de diensten bij wet in.”, aldus Aad van Elsen.

terug naar index
Aanpassingen maken nieuwe Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden werkbaar voor veredelaars
De nieuwe Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden die de Tweede Kamer afgelopen donderdag aannam is een goed uitgangspunt voor de Nederlandse veredelaars. “Met de schriftelijke toelichting van Minister Veerman bij de Wet en het aannemen door de Tweede Kamer van een amendement van de heren Mastwijk (CDA) en Oplaat (VVD) en twee moties, biedt de Wet een goede basis om samen met de onderliggende regelgeving tot een werkbare situatie voor de sector uitgangsmateriaal te komen”, verwacht
Roland Verweij
, specialist gewasbescherming bij
Plantum NL
, de brancheorganisatie voor de sector plantaardig uitgangsmateriaal.
Bij de stemming over de nieuwe Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden heeft een ruime meerderheid van de Tweede Kamer steun betuigd aan een gezamenlijk door de heren Mastwijk (CDA) en Oplaat (VVD) ingediend amendement bij de Wet om de aanwezigheid van niet in Nederland toegelaten middelen op uitgangsmateriaal, waaronder stekmateriaal en zaaizaad, wettelijk niet strafbaar te stellen. Zonder dit amendement zou de aanwezigheid van deze middelen, ondanks legaal gebruik in het land van herkomst, worden gezien als gebruik en daarmee strafbaar zijn.
Plantum NL
is blij met deze aanpassing van de Wet, omdat steeds vaker uitgangsmateriaal wordt geïmporteerd dat is behandeld met niet in Nederland toegelaten middelen. “Zonder deze mogelijkheid zou het risico op de insleep van ongewenste organismen onverantwoord groot zijn en een bedreiging vormen voor de Nederlandse land- en tuinbouw”, aldus Verweij.
Belangrijk voor de sector was de toezegging die Minister Veerman namens de regering deed over het behandelen van zaaizaad dat bestemd is voor export. Op aandringen van de Kamer zocht de minister uit hoe dit elders in Europa geregeld is. Dit blijkt zeer divers te zijn. De minister stelt dat een toelating voor de te gebruiken middelen op grond van de Europese gewasbeschermingrichtlijn noodzakelijk is, maar zegt toe de sector maximaal te willen ondersteunen. Concreet zegt hij toe het Ctb op te dragen de middelen slechts beperkt te toetsen. Voorwaarden zijn dat het middel waarmee het zaaizaad is behandeld in het betreffende land gebruikt mag worden, dat de productielocatie in Nederland beschikt over een risico-evaluatie- en inventarisatierapport als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 én over een, in het licht van de gewasbeschermingrichtlijn, toereikende vergunningen op grond van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De Franse situatie wordt hiermee dicht benaderd, reden voor de heren Oplaat en Mastwijk om hun amendement op dit punt in te trekken. “Ik denk hiermee de positie van de wereldwijd toonaangevende Nederlandse veredelaars recht te hebben gedaan”, zegt Jan Mastwijk van het CDA.
Verder steunde de Tweede Kamer unaniem een motie van Mastwijk cs waarin de regering wordt opgeroepen om in Europees verband het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor kleine toepassingen in het veredelingsproces, onder nader te stellen voorwaarden, zonder toelating mogelijk te maken. Tevens steunde een ruime meerderheid van de Kamer een motie van Mastwijk cs die de regering oproept om te pleiten voor een saldobenadering bij de toelating van middelen. Hierdoor moet gebruik van kleine hoeveelheden middel in uitgangsmateriaal mogelijk worden, waarmee gebruik van grotere hoeveelheden middel later in de teelt voorkomen kan worden. “Als dit mogelijk wordt maken we een grote stap voorwaarts, waarbij het milieu de grote winnaar zal zijn”, zegt Verweij, “nu al zijn voorbeelden bekend waarbij het gebruik met 99,9% kan worden teruggedrongen!”
terug naar index
Kwekersrechtproject in China door Naktuinbouw en Plantum NL
Naktuinbouw gaat in samenwerking met Plantum NL en twee Chinese partijen in 2007 en 2008 een kwekersrecht project uitvoeren in China. Het project is gericht op het overdragen van technische kennis en het stroomlijnen van procedures om daarmee de kwaliteit van het kwekersrechtonderzoek en de efficiëntie van het systeem in China te verbeteren.
De EVD (agentschap van het Nederlandse ministerie van Economische Zaken) kent de zogenaamde Azië faciliteit voor China. Met geld van het ministerie van Buitenlandse Zaken stimuleert de EVD de samenwerking tussen Nederlandse en Chinese partijen op wetenschappelijk en technologisch gebied. Hierbij moeten kennis en vaardigheden worden overgedragen en uitgewisseld, waarna een duurzame relatie tussen partijen ontstaat.
Projectvoorstel
Naktuinbouw heeft samen met Plantum NL een projectvoorstel ontwikkeld gericht op het verbeteren van de technische kennis en procedures met betrekking tot kwekersrecht in China. Dit projectvoorstel is recent goedgekeurd en wordt in 2007 en 2008 uitgevoerd. De Chinese partners zijn het Development Centre of Science and Technology van het ministerie van Landbouw (verantwoordelijk voor de organisatie van het kwekersrechtonderzoek) en het Institute of Vegetables and Flowers van de Chinese Academy of Agricultural Sciences, één van de belangrijkste van de veertien teststations in China waar technisch onderzoek wordt uitgevoerd.
Programma
Bij de aanvang van het project in 2007 worden onder andere ervaringen van Nederlandse en Chinese bedrijven in kaart gebracht. Plantum NL neemt deze inventarisatie voor haar rekening en betrekt het Nederlandse bedrijfsleven daar actief bij. Het Chinese systeem gaat vergeleken worden met het Nederlandse en de overeenkomsten en verschillen worden tijdens een studiebezoek van de Chinezen aan Nederland uitgelegd. Ook worden er aanbevelingen gedaan voor het stroomlijnen van de procedures in China. Vervolgens krijgt de technische training voor de uitvoering van het kwekersrechtonderzoek op de veertien teststations in China veel nadruk in het project, inclusief de ontwikkeling van testprotocollen. De trainingen zullen zowel in Nederland als op locatie op de Chinese teststations gegeven worden.
terug naar index
Toezegging minister onvoldoende voor zaaizaadbedrijfsleven
De toezegging die Minister Veerman heeft gedaan om het voor export behandelen van zaden met in Nederland verboden middelen te regelen zijn voor het zaaizaadbedrijfsleven onvoldoende. “De minister stelt een regeling voor die juridisch problemen oplevert. Tevens wil de minister meer regels opleggen dan zijn Franse collega”, zegt Roland Verweij, senior beleidsmedewerker bij Plantum NL, de brancheorganisatie van de zaadindustrie.
Minister Veerman van LNV stelde gisteravond in het debat over de nieuwe Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, dat op grond van de Europese Gewasbeschermingsrichtlijn een toelating nodig is voor middelen die op zaaizaad worden aangebracht dat bestemd is voor export. Hij gaf aan dit expliciet te willen regelen in de nieuwe Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. De minister wil onderscheid maken tussen zaad dat bestemd is voor (1) uitzaai in Nederland, (2) intraverkeer met ander landen binnen de EU en (3) export naar landen buiten de EU. Verder wil de minister alleen zaken die relevant zijn voor de behandeling in Nederland beoordelen en bestaande wetgeving niet overdoen. De manier waarop hij dit vorm wil geven stuit volgens Plantum NL op juridische bezwaren en is in strijd met het streven van de minister en de Tweede Kamer om te komen tot een Europees ‘level playing field’.
“Een toelating moet volgens de richtlijn gebaseerd zijn op vijf aspecten, waaronder deugdelijkheid van het middel en de gevolgen voor het milieu”, stelt Verweij. “De deugdelijkheid kan echter niet door Nederland worden beoordeeld, omdat het zaad hier niet de grond in gaat. Ook de gevolgen voor het milieu in het land van bestemming kunnen door Nederland niet beoordeeld worden. Sterker nog, men mag niet eens oordelen over de gevolgen in een ander land, zo heeft het College voor Beroep van het Bedrijfsleven ooit uitgesproken in een vergelijkbare zaak. Juridisch is een toelating die niet op deze aspecten is beoordeeld geen toelating op grond van de richtlijn. Wij vragen ons zelfs af of er dan wel sprake is van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in de richtlijn.”
Een ander onoplosbaar probleem is het behandelen van zaaizaad voor landen buiten de EU. Als er sprake is van middelen die niet op de zogenaamde Bijlage I van de richtlijn staan, mag hiervoor namelijk op grond van de richtlijn geen toelating worden gegeven.
Verder is in Frankrijk géén toelating nodig voor middelen die op zaaizaad worden aangebracht dat bestemd is voor export. De Fransen vinden een administratie waaruit blijkt dat het zaad daadwerkelijk het land verlaat voldoende. “Met zo’n regeling zouden ook wij goed uit de voeten kunnen” vindt Verweij. “Aansluiten bij wat Frankrijk doet lost onze problemen op en levert een bijdrage aan het Europese ‘level playing field’ waar onze minister, en de Tweede Kamer zo bleek gisteravond, groot voorstander van zijn. Bovendien is dit in lijn met wat in Nederland al sinds jaar en dag praktijk is en nog nooit tot problemen heeft geleid.”
terug naar index
Vanggewas na maïs en het juiste gebruik van zaaizaad
In het nieuwe mestbeleid, geregeld in het Besluit gebruik meststoffen, is de teelt van een vanggewas na maïs op zand- en lössgrond verplicht gesteld. In de praktijk leidt dit echter tot veel vragen over het juiste gebruik van zaaizaad.
De reden van deze verplichting is het feit dat, ook na matige bemesting, er bij de oogst van maïs veel stikstof in de bodem achter blijft. Deze stikstof spoelt uit omdat er in de winter meer water valt dan verdampt. Grondwater kan daardoor meer stikstof gaan bevatten dan wettelijk toegestaan. Vanggewassen kunnen dit helpen voorkomen. Uitsluitend de volgende gewassen zijn toegestaan als vanggewas na maïs: gras, winterrogge, bladkool en bladrammenas.
In de praktijk leidt deze regeling tot veel vragen over het juiste gebruik van zaaizaad. Mag bijvoorbeeld voederrogge gebruikt worden als zaaizaad? Het antwoord is nee, ook voor de inzaai als vanggewas na de maïs dient, net als in de productieteelt, gebruik gemaakt te worden van gecertificeerd zaaizaad. Voor winterrogge bestaat er daarnaast de mogelijkheid om gebruik te maken van eigen zaaizaad. Het gebruik van eigen zaaizaad moet, als gevolg van de wettelijke meldplicht in de Zaaizaad- en Plantgoedwet, wel gemeld worden aan de kwekersrechthouder. Bovendien is de teler een vergoeding verschuldigd over het gebruikte eigen zaaizaad. Meer informatie over deze wettelijke meldplicht en het gebruik van eigen zaaizaad kunt u vinden op www.eigenzaaizaad.nl. Gebruik van eigen zaaizaad van gras, bladkool en bladrammenas is nadrukkelijk niet toegestaan.
terug naar index
Hezelburcht geeft 10% korting op de diensten
Plantum NL heeft sinds 2004 een overeenkomst met subsidieadviesbureau Hezelburcht. In het kader van deze overeenkomst krijgen de leden van Plantum NL gedurende een jaar 10% korting op de tarieven van Hezelburcht.
Voor meer informatie over Hezelburcht en de diensten, klik hier.
terug naar index
Nieuwste ontwikkelingen in het rozenassortiment te zien en te vergelijken op assortimentsdag
Acht vooraanstaande veredelingsbedrijven geven u de gelegenheid om de nieuwste ontwikkelingen in het rozenassortiment te komen bekijken en vergelijken op vrijdag 8 september.
De ontwikkelingen in het aanbod van rozenrassen blijven doorgaan. Voortdurend komen er nieuwe en verbeterde rassen op de markt. Om u de gelegenheid te geven het nieuwste aanbod goed te vergelijken, openen tijdens de assortimentsdag acht veredelingsbedrijven gelijktijdig hun deuren. Van 10.00 tot 18.00 uur geven medewerkers van de bedrijven u als klant, handelaar, veilingmedewerker, onderzoeker, voorlichter of belangstellende graag aanvullende informatie en antwoorden op uw vragen over het nieuwe assortiment. Wij hopen u te mogen begroeten bij de deelnemende bedrijven:
Kordes Roses International
Noordammerweg 41 43, De Kwakel. (www.kordes-international.nl)
Meilland Selectie Nederland
Weteringweg 3a, Leimuiderbrug.(www.meilland.nl of www.moerheim.com)
Olij Breeding
Showbedrijf aan de Hoofdweg 119, De Kwakel. (www.olijrozen.nl)
Piet Schreurs de Kwakel
Bezoekadres Hoofdweg 81, De Kwakel. (www.schreurs.nl)
Preesman
Bezoekadres Aalsmeerderweg 687, Rijsenhout. (www.preesman.com)
Rozenberg Roses
Assortimentskas aan de Rietwijkeroordweg 15, Aalsmeer. (www.rozenberg.nl)
De Ruiter Innovations
Dwarsweg 15, De Kwakel. (www.deruiter.com)
Terra Nigra
Showroom aan de Mijnsherenweg 23, Kudelstaart. (www.terranigra.com)
terug naar index
Standaardcontract van het biodiversiteitsverdrag van de FAO maakt uitwisseling van planten en zaden voor veredeling makkelijker
Vrijdag 16 juni zijn de 102 deelnemende landen aan het internationale biodiversiteitsverdrag van de FAO in Madrid een standaardcontract overeengekomen voor de uitwisseling van plantmateriaal. Dit standaardcontract, ook wel bekend als Standard Material Transfer Agreement, zal de uitwisseling van planten en zaden vereenvoudigen en juridische zekerheid geven aan de gebruikers hiervan, zoals plantenveredelaars. Bovendien voorkomt het standaardcontract dat er voor elke uitwisseling van plantmateriaal opnieuw onderhandeld moet worden over een contract. Daarnaast zorgt het contract er voor dat elke uitwisseling van plantmateriaal onder gelijke voorwaarden plaatsvindt. Plantum NL heeft in de onderhandelingen over het standaardcontract de belangen van de sector plantaardig uitgangsmateriaal actief vertegenwoordigd.
Het standaardcontract regelt zowel de voorwaarden voor toegang tot plantmateriaal als de voorwaarden en de condities waaronder de gebruiker het materiaal mag gebruiken. Verder worden alle genenbanken en andere verstrekkers van plantmateriaal geacht het contract te gebruiken en opgevraagde materialen onder de gestelde condities te verstrekken. Een plantenveredelaar mag het opgevraagde plantmateriaal gebruiken in zijn veredelingsprogramma zolang het gerelateerd is aan voedsel en landbouw. Vervolgens kan hij of zij nieuwe producten die uit het plantmateriaal ontstaan zijn commercialiseren. In het geval dat het gecommercialiseerde product vrij beschikbaar blijft voor onderzoek en veredeling is er geen verplichte compensatie voorzien. Als een product echter gepatenteerd wordt en niet langer vrij beschikbaar is voor veredeling en onderzoek dan zal 1.1% van de netto-omzet van het product afgedragen moeten worden. Het gestelde percentage van 1.1% is hoog, zeker als men beseft dat de bijdrage van het verkregen plantmateriaal in het uiteindelijke product vaak beperkt is. Bovendien is over het algemeen jaren van onderzoek en veredeling (± 10 jaar) nodig om tot een definitief commercieel te verhandelen product te komen.
Het standaardcontract is een stap in de goede richting om de uitwisseling van plantmateriaal mogelijk te maken. Het huidige contract van het biodiversiteitsverdrag van de FAO is echter alleen verplicht voor een beperkt aantal gewassen. Voor de meeste groente- en alle sierteeltgewassen is het contract niet van toepassing. Plantum NL zet zich dan ook actief in om ook voor deze gewassen tot een goede en praktische internationale regeling te komen.
terug naar index
Nieuwe
CAO Weefselkweek
De onderhandelaars van
Plantum NL
en
FNV Bondgenoten hebben een akkoord gesloten voor een nieuwe CAO voor de weefselkweeksector. In het akkoord is een salarisverhoging voorzien van 1,5% per 1 juli 2006 1,75% per 1 juli 2007. Verder wordt de vergoeding voor reiskosten boven de
10 kilometer
verhoogd met 10%. De CAO heeft een looptijd van 2 jaar.
Plantum NL
is blij met het bereikte akkoord waarin ook afgesproken is om extra aandacht te geven aan het uitwisselen van kennis over preventieve maatregelen om arbeidsongeschiktheid te voorkomen. Partijen zullen zich inspannen om gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers in de sector aan het werk te houden.
In de weefselkweeksector zijn zo’n 500 medewerkers werkzaam. Op de bedrijven in Nederland vindt onderzoek plaats naar nieuwe technieken om planten te vermeerderen. Ook worden er specialistische gewassen en kleine partijen in laboratoria vermeerderd. De productie van grote hoeveelheden planten vindt overwegend plaats bij dochterbedrijven in het buitenland.
terug naar index
Biogasmaïs heeft wind mee
Naast windmolens kunnen ook biogasinstallaties belangrijke energieleveranciers worden. In een biogasinstallatie wordt energie opgewekt door vergisting van mest en/of plantaardig materiaal. Met de vrijkomende methaan kan elektriciteit opgewekt worden wat wordt verkocht aan een energiebedrijf. Ook kan biogas na bewerking gemengd worden met aardgas en gebruikt worden via het aardgasnet of het biogas kan verrijkt en gecomprimeerd worden voor gebruik als autobrandstof. Na vergisting resteert er een prima meststof. Daarnaast zijn er nog vele andere voordelen.
Een biogasinstallatie kan gevoed worden met koolwaterstoffen uit afval of plantaardig materiaal. Maïs is daarvoor een interessant gewas omdat het de potentie heeft om per ha veel koolwaterstoffen te produceren. De teelt van maïs is voor biogasmaïs niet veel anders dan voor snijmaïs. Wel zijn er iets andere eisen aan het oogsttijdstip en vraagt het maïs met andere karakteristieken. Uit buitenlands onderzoek is gebleken dat de optimale methaanproductie bereikt wordt bij ongeveer 32% droge stof (gehele plant). Om het zonder verliezen in te kunnen kuilen moet voor midden oktober zeker 28% drogestof bereikt worden. Het is van belang dat de maïs dus niet al te laat is. Tijd van zaaien, de plaats en de grondsoort moeten de keuze bepalen.
Omdat maïsrassen verschillen in vroegrijpheid en opbrengst en ook tolerantie voor ons over het algemeen koude klimaat, is het van belang om voor dit teeltdoel de rassen te toetsen in de verschillende regio’s. Daartoe is door de brancheorganisatie voor bedrijven actief in de sector plantaardig uitgangsmateriaal (
Plantum NL
) het initiatief genomen voor een officieel Cultuur- en Gebruikswaarde Onderzoek (rassenonderzoek) wat uitgevoerd wordt door DLV Facet. In 2006 worden er 3 proeven in Zuid-Nederland met vrij late rassen en 3 proeven in Noord-Nederland met relatief vroegere rassen uitgevoerd. In beide series worden ongeveer 20 rassen onderzocht. Over enkele jaren zal dit onderzoek leiden tot een aparte rubriek in de rassenlijst.
terug naar index
Oekraïne interessante zakenpartner voor sector uitgangsmateriaal
Oekraïne is een interessant land voor buitenlandse investeerders. Nederlandse leveranciers van landbouw- en groentezaden zijn al jaren actief in Oekraïne. De locale sierteeltsector is echter ook volop in ontwikkeling en veredelaars en vermeerderaars van sierteeltgewassen weten het land dan ook steeds beter te vinden. Oekraïne, een land met ruim 46 miljoen inwoners en een jaarlijkse economische groei die geschat wordt op 3%, is een aantrekkelijk land vanwege de grote locale markt en de ligging ten opzichte
van de Europese
Unie en Rusland. In de eerste week van juni zal een belangrijke delegatie van hooggeplaatste personen uit Oekraïne en een bedrijvendelegatie Nederland bezoeken. Reden voor Plantum NL om deel te nemen aan een seminar en informatiemarkt op 8 juni in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.
Tijdens het seminar op 8 juni, dat door het Ministerie van Economische Zaken wordt voorbereid, worden de praktische aspecten van het zakenklimaat in Oekraïne toegelicht. Verder worden workshops georganiseerd onder andere over marktentree en bilaterale samenwerking op het gebied van agri-business. Het geheel wordt omlijst met een informatiemarkt waar ook Plantum NL aanwezig zal zijn. Het seminar valt samen met de officiële opening
van de tentoonstelling
‘Kiev in de Nieuwe Kerk, 19e-eeuwse meesterwerken uit het National Art Museum of Ukraine’.
Ter voorbereiding op dit seminar en het bezoek uit Oekraïne heeft Plantum NL stil gestaan bij de voorwaarden voor succesvol zakendoen in Oekraïne. Voor de verdere ontwikkeling van Oekraïne als teeltgebied en handelsland is het van groot belang dat de boeren en tuinders de beschikking krijgen over nieuwe rassen. Dit vraagt echter om een goed werkend registratiesysteem en kwekersrechtsysteem. Dit is al ten dele gerealiseerd maar vraagt nog om verdere verbeteringen. Aansluiting bij de Europese regelgeving zou een groot goed zijn.
Ook de uitvoering
van de regelgeving
moet volgens Plantum NL eenvoudiger en goedkoper kunnen. Zo is er door Plantum NL al in 1999 een idee uitgewerkt om
de rassenregistratie van groentegewassen
samen met Oekraïne op te pakken. Tot nu toe heeft dit nog niet tot resultaat geleid door terughoudendheid van Oekraïense zijde. Plantum NL ziet nog steeds een groot voordeel van dit project voor zowel de Oekraïense partners als de Nederlandse bedrijven.
terug naar index
Nieuwe
CAO
Tuinzaadbedrijven
De onderhandelaars van
Plantum NL
en
de vakbonden FNV Bondgenoten, CNV BedrijvenBond en De Unie hebben een akkoord gesloten voor een nieuwe
CAO Tuinzaadbedrijven. In
het akkoord is een salarisverhoging voorzien van 1,75% per 1 april 2006. De CAO heeft een looptijd van 1 jaar.
Tijdens de looptijd zal een in te stellen Commissie onderzoeken of de leeftijdsdagen, extra vrije dagen bij het toenemen van de leeftijd, nog in de CAO mogen blijven of niet. Nieuwe wetgeving over leeftijdsdiscriminatie en een advies van de Commissie Gelijke Behandeling zijn de aanleiding voor dit onderzoek.
Met 50 leerwerkplekken over een periode van 2 jaar zullen de tuinzaadbedrijven bijdragen aan de aanpak van de langdurige jeugdwerkloosheid. Vakbonden zullen hun kennis inbrengen om de juiste kandidaten te vinden.
Het Bestuur Afdeling Voedingstuinbouw Zaden van
Plantum NL
en
de leden van FNV Bondgenoten hebben al ingestemd met het bereikte akkoord. Daarmee is de CAO definitief tot stand gekomen.
terug naar index
Evaluatie Plan van Aanpak 2005 en vervolg in 2006
In april 2005 heeft Plantum NL haar “Kansrijk Beginnen; sectorplan gewasbescherming plantaardig uitgangsmateriaal” gepresenteerd. Het sectorplan bevat een Plan van Aanpak waarin wordt weergeven hoe de sector plantaardig uitgangsmateriaal met negen actiepunten een bijdrage wil leveren aan het bereiken van de doelstellingen van het Convenant Gewasbescherming.
In de notitie evalueren we, per actiepunt, eerst de activiteiten die in 2005 hebben plaatsgevonden en presenteren we vervolgens de plannen voor 2006. Voor de duidelijkheid worden de plannen voor 2006 cursief weergegeven.
De gehele voortgangsreportage kunt u hier downlaoden.
terug naar index
Reguliere pootgoedteelt is geen "farm saved seed"
Met ingang van dit jaar is er een meldplicht voor het gebruik van eigen vermeerderd zaaizaad van granen en pootgoed van aardappelen. Het nieuws over deze meldplicht heeft bij een aantal aardappeltelers vragen opgeroepen. Vragen die wij hieronder beantwoorden. De meldingsplicht houdt in dat telers die eigen vermeerderd teeltmateriaal gebruiken om eindproduct van te telen dit gebruik uiterlijk 15 mei dienen te melden aan de kwekersrechthouder. Daarnaast dient er een redelijke vergoeding betaald te worden over dit gebruik. De meeste kwekers van granen en aardappelen hebben Plantum NL gemachtigd om namens hen de melding in ontvangst te nemen. Plantum NL heeft de telers daarom een opgavenformulier gestuurd waarmee de melding gedaan kan worden. Er kan ook via de website www.eigenzaaizaad.nl gemeld worden.
Vraag: Ik ben pootgoedteler, moet ik het pootgoed dat ik op bedrijf heb vermeerderd als uitgangsmateriaal voor de pootgoedteelt ook melden?
Antwoord: Nee, de reguliere teelt van pootgoed valt niet onder het “farmers’ privilege”. Dit “voorrecht van boeren” om eigen teeltmateriaal te vermeerderen heeft alleen betrekking op de teelt van eindproduct. Met eindproduct wordt bedoeld consumptie-, industrie- of zetmeelaardappelen die geleverd worden aan de industrie, groothandel, supermarkten enz. Voor het telen van pootgoed dat (uiteindelijk) in de handel wordt gebracht als pootgoed is altijd een licentie van de kwekersrechthouder of diens vertegenwoordiger nodig (op grond van het normale kwekersrechtprincipe). Deze licentie is meestal geregeld in een contractuele overeenkomst tussen handelshuis en pootgoedteler. De kwekersrechthouder kan naast het betalen van een vergoeding aanvullende voorwaarden aan de licentie verbinden, zoals de verplichting om de volledige pootgoedoogst terug te leveren. Vermeerdering van teeltmateriaal met als uiteindelijk doel pootgoedproductie kan dus nooit “farm saved seed” zijn en hoeft dan ook niet gemeld te worden via het project “eigen zaaizaad/pootgoed”. Een teler die zonder licentie pootgoed van een beschermd ras vermeerdert met als doel pootgoedproductie is te allen tijde strafbaar. Eveneens is het strafbaar om eigen vermeerderd farm saved seed alsnog als pootgoed in het verkeer te brengen of te verhandelen. Het farm saved seed principe betreft immers alleen eigen vermeerderd pootgoed bestemd voor gebruik op het eigen bedrijf.
Vraag: Ik teel zetmeelaardappelen voor de zetmeelindustrie en koop daarvoor ieder jaar pootgoed van een zetmeelras, maar vermeerder een deel één jaar door om in het jaar daarop te gebruiken als pootgoed. Wat moet ik melden?
Antwoord: U moet het gebruik melden van die rassen die u één jaar heeft doorvermeerderd (dit is vrijwel altijd onder TBM-regime). U hoeft alleen die rassen te melden die in de folder (en op de website) vermeld staan. Als u in 2005 bijvoorbeeld Seresta zelf heeft vermeerderd, en dat eigen vermeerderde pootgoed dit voorjaar heeft uitgepoot, dient u die uitgepote hoeveelheid en het areaal waarover u ze heeft uitgepoot te melden.
Vraag: Ik heb wel eigen vermeerderd pootgoed gebruikt maar het ras staat niet in de folder en op de website. Wat moet ik dan invullen?
Antwoord: Als het ras niet vermeld is kunt u antwoorden dat u geen gebruik heeft gemaakt van pootgoed uit eigen vermeerdering.
Vraag: Ik heb al aan de NAK een vergoeding betaald voor eigen vermeerdering van pootgoed. Moet ik nu nog een keer betalen?
Antwoord: U wordt vanzelfsprekend niet tweemaal aangeslagen voor hetzelfde gebruik. Daarom hebben we in het opgavenformulier en op de website de mogelijkheid gegeven om aan te kruisen of u reeds via de NAK (en/of via het handelshuis of Avebe) een vergoeding afdraagt of afgedragen heeft. Indien blijkt dat u reeds de verschuldigde vergoeding heeft betaald zult u niet nogmaals worden aangeslagen.
Vraag: Het bedrag dat ik via de NAK betaal aan de kwekersrechthouder is hoger dan de range van vergoedingen die in de folder worden genoemd. Hoe kan dat?
Antwoord: Via de NAK betaalt u een vergoeding in het jaar van vermeerdering. De bedragen die in de folder genoemd zijn hebben betrekking op wat u in het jaar daarop daadwerkelijk uitpoot. Wat u op één hectare vermeerdert kunt u op bijvoorbeeld tien hectare weer uitpoten. Dit verklaart de verschillen in de vergoeding per hectare. Het ene heeft betrekking op de oppervlakte eigen vermeerdering, het andere heeft betrekking op het uitgepote areaal voor consumptie, industrie of zetmeelteelt.
Plantum NL hoopt met deze vragen en antwoorden eventuele onduidelijkheden te hebben weggenomen.
terug naar index
Gras versus kunstgras: de feiten
Puur natuur blijft beter voor milieu, spelers én portemonnee
Wat is er vertrouwder dan gras. We lopen, liggen en spelen erop alsof het de gewoonste zaak van de wereld is en de geur van vers gemaaid gras herkennen we uit duizenden. Maar met de opkomst van kunstgras in onze sportparken lijkt de beleving van sport en recreatie een hele andere dimensie te gaan krijgen. Plastic sprieten en rubber bepalen hoe de bal gaat rollen, want nepgras is immers altijd bespeelbaar en heeft geen last van schaduwvormende stadiondaken en slidings makende voetbalschoenen. Wie echter voor de keuze staat een nieuw sportveld aan te kopen, doet er goed aan ook de minder bekende eigenschappen van kunstgras mee te laten wegen. Recent onderzoek toont namelijk aan dat er over kunstgras in relatie tot belangrijke zaken als gezondheid, veiligheid en milieu nog veel vraagtekens bestaan. ‘Natuurlijk’ gras is en blijft in veruit de meeste situaties de beste en voordeligste oplossing, zeker nu dit product zich dankzij de nieuwste inzichten in veredeling, zaad-technologie en cultuurtechniek volledig heeft aangepast aan de eisen van de moderne tijd.
De European Seed Association (ESA) heeft namens de graszaadindustrie een reële vergelijking laten maken tussen gras en kunstgras. Conclusie van het onderzoek is dat er niets mis is met gras. Ten opzichte van het totaal aantal wedstrijden is het aantal jaarlijkse afgelastingen op gras marginaal. Het is dan ook voorbarig om bij problemen op grasvelden direct de discussie over kunstgras op gang te brengen. Veelal is de oorzaak helaas te vinden in het feit dat verantwoordelijke beleidsmakers te weinig geld uittrekken voor vakkundig onderhoud en/of niet bekend zijn met de nieuwste producten en technologieën inzake ‘natuur’gras.
Nieuwe graszaadoplossingen
In de laatste tien jaar heeft de veredelingssector succesvolle grasoplossingen ontwikkeld om het intensiever gebruik van bestaande sportparken (meer spelers op hetzelfde aantal velden) en de gevolgen van de bouw van moderne voetbalstadions (schaduw, multifunctioneel gebruik) het hoofd te bieden. Grasvariëteiten beschikken anno 2006 over een sterk verbeterde slijtvastheid. Daardoor zijn ze veel beter bestand tegen overbelasting en winterbespeling en blijven ze langer in topconditie. Voortdurende selectie op stresstolerantie voor schaduw, warmte en droogte heeft haar vruchten afgeworpen en ook de inzet van nieuwe grassoorten en zaadcoatings heeft belangrijke aanvullende voordelen gebracht. Feitelijk heeft de grote vooruitgang in de grassengenetica en cultuurtechniek ervoor gezorgd dat voetballen op modderige velden verleden tijd is.
Milieu & welzijn
Maar er zijn meer aspecten van belang bij een vergelijking met kunstgras. Zo is bekend dat gras een wezenlijke bijdrage levert aan de zuurstofproductie in de lucht en kooldioxide uit diezelfde lucht fixeert. Verder is een grasveld eenvoudig recyclebaar en niet brandbaar. Het verlies en afvoeren van rubber op kunstgrasvelden daarentegen heeft milieutechnisch gezien veel voeten in de aarde om nog maar niet te spreken over het mogelijk vrijkomen van giftige dampen bij brand. Denk ook aan mogelijke langetermijneffecten van het gebruik van schoonmaakmiddelen en de noodzaak tot het gebruik van uitsluitend drinkwater bij beregening om algengroei op de vezels te voorkomen. Over de vraag of het langdurig spelen op rubber gevolgen heeft voor onze gezondheid is nog weinig bekend. Wel blijkt uit Amerikaanse ervaringen dat een behoorlijk aantal blessures direct gerelateerd kunnen worden aan het spelen op kunstgras. Gras daarentegen is zacht voor enkels en knieën en verder weten we dat in warme perioden gras een verkoelende werking heeft.
Voordeligste alternatief
Financieel gezien vraagt de aanleg van kunstgras om zeer hoge investeringen, in de regel een veelvoud van de kosten van een grasveld. Geld dat alleen terugverdiend kan worden als een zeer hoog aantal bespelingsuren (gemiddeld 1.100 uur per jaar) gehaald wordt. Aangezien dit voor het overgrote deel van de voetbalverenigingen in ons land een illusie is, wordt een kunstgrasveld daarmee veel te duur. Voor hen is en blijft de inzet van ‘natuurlijk’ gras van de nieuwste generatie verreweg het voordeligste alternatief en de beste langetermijnoplossing. Extra gelden kunnen wat dat betreft beter aangewend worden voor het optimaliseren van het onderhoud.
Tenslotte nog dit: nationaal en internationaal geven spelers, trainers en publiek telkens weer de voorkeur aan trainingen en wedstrijden op het alom vertrouwde gras. Gras beleef je met volle teugen, het is emotie net als voetbal. Dat gevoel wekken plastic en rubber bepaald niet op. Speltechnisch gezien gaat er bovendien niets
boven de natuurlijke
reactie van de bal, want op een potje indoor voetbal zit niemand te wachten.....
Meer informatie vindt u in deze brochure
terug naar index
Boeiende onderwerpen gezocht voor Qwestie van zaken op TV West
Vanuit het Projectteam Sector PR Glastuinbouw van het Productschap Tuinbouw wordt deelgenomen aan het televisieprogramma Qwestie van zaken op TV West. Dit programma gaat op korte termijn van start en heeft behoefte aan boeiende onderwerpen. Een uitdaging die wij als sector plantaardig uitgangsmateriaal niet naast ons neer kunnen leggen! Bent u gevestigd in de regio Zuid-Holland Noord, van het Westland tot Gouda, Alphen a/d Rijn, Lisse en terug via de kustlijn (dus inclusief het Westland en de driehoek Bergschenhoek - Berkel - Roodenrijs) en u heeft een nieuw product, een goed contract, een inventieve of grote investering, laat het ons weten! U kunt zich hiervoor melden bij Dennis Kraaijeveld op e-mail d.kraaijeveld@plantum.nl of per telefoon op 0182-68 86 68.
terug naar index
Ministerraad achter TTI Groene Genetica
De Ministerraad heeft op 31 maart 2006 de oprichting van het Technologisch Topinstituut (TTI) Groene Genetica goedgekeurd. Met het TTI Groene Genetica is in totaal 40 miljoen euro verdeeld over een periode van 4 jaar gemoeid. Het kabinet stelt hiervoor 20 miljoen euro beschikbaar uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES); het resterende bedrag wordt opgebracht door de participerende bedrijven en kennisinstellingen. Het TTI Groene Genetica is een gezamenlijk initiatief van de Nederlandse sector plantaardig uitgangsmateriaal, onder leiding van Plantum NL, en de Nederlandse kennisinstellingen, aangevoerd door Wageningen UR. Doel van het TTI Groene Genetica is de versterking van de internationale toppositie die Nederland inneemt in deze innovatieve sector. Het bedrijfsleven bepaalt de onderzoekagenda van het TTI.
Sleutelgebied
De sector plantaardig uitgangsmateriaal is in 2004 door het Innovatieplatform erkend als een belangrijke innovatieve sector binnen de Nederlandse kenniseconomie (onderdeel van sleutelgebied ‘Flowers & Food’). Dit is mede op voordracht van brancheorganisatie Plantum NL gebeurd, die haar sector voor de gelegenheid had omgedoopt tot ‘de groene genetica’. In 2005 heeft Plantum NL, samen met de Plant Sciences Group van Wageningen UR het initiatief genomen tot de oprichting van een technologisch topinstituut voor deze sector.
Businessplan beoordeeld
Op 10 november 2005 overhandigden de initiatiefnemers het businessplan voor het TTI Groene Genetica aan Minister Brinkhorst van EZ en zijn collega Veerman van LNV. Door het Ministerie van LNV werd het TTI Groene Genetica voorgedragen voor financiering uit de FES-gelden. Een intensieve evaluatie van het voorstel door het kabinet, ondersteund door de Commissie van Wijzen en het Centraal Planbureau, heeft nu geleid tot het positieve besluit van de Ministerraad tot oprichting van het TTI Groene Genetica. De daadwerkelijke oprichting van het TTI Groene Genetica moet in de komende maanden zijn beslag krijgen.
Sterke sector
De Nederlandse sector plantaardig uitgangsmateriaal (zaden, stekken, bollen, knollen, weefselkweek en jonge planten) en de kennisinstellingen willen met dit TTI het plantkundig onderzoek en onderwijs verder versterken. Dat zal ten goede komen aan de positie die Nederland inneemt in deze innovatieve sector. “Nederland is wereldwijd de grootste exporteur van uitgangsmateriaal voor groenten, siergewassen en enkele landbouwgewassen" aldus
Aad van Elsen
, directeur van branchevereniging Plantum NL. “Ook op het gebied van plantkundig onderzoek behoort Nederland tot de top-drie”, vult
Raoul Bino
, algemeen directeur van de Plant Sciences Group, hem aan. Het TTI Groene Genetica brengt deze beide topspelers bij elkaar.
Slanke organisatie
Het topinstituut wordt een slanke organisatie die onderzoeksvoorstellen beoordeelt en aanbesteedt bij top-onderzoeksgroepen van Nederlandse universiteiten en andere kennisinstellingen. De onderzoeksvoorstellen moeten invulling geven aan de geformuleerde doelstellingen. Het bedrijfsleven heeft het initiatief genomen in het opstellen van het onderzoekprogramma van het TTI. Het onderzoek dat binnen het topinstituut wordt uitgevoerd zal daardoor goed aansluiten bij de behoeften van het bedrijfsleven: benutting van kennis staat centraal.
Disciplines
Het centrale thema van het TTI is “innovatieve planten voor duurzame flowers & food”. Dit betekent dat al het onderzoek gericht is op het ontwikkelen van economisch waardevolle planten, die geschikt zijn voor veranderende teeltomstandigheden. Binnen dit thema worden drie subthema’s onderscheiden: groei en ontwikkeling van de plant, plantgezondheid, en kwaliteit voor de consument. Om belangrijke vragen op deze terreinen te beantwoorden worden drie kerndisciplines ingezet: genetica, plantenziektenkunde en plantenfysiologie. Het Nederlandse onderzoek behoort op deze vlakken tot de wereldtop. Naast onderzoek maakt onderwijs een integraal deel uit van het plan. Het topinstituut moet ook aantrekkingskracht uitoefenen op scholieren en een stimulerende academische omgeving bieden aan studenten in de plantenwetenschappen. Op de arbeidsmarkt is grote vraag naar scholieren en studenten met deze achtergrond.
TTI’s
De Technologische Topinstituten zijn een initiatief van de Ministeries Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; Economische Zaken; en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Deze Ministeries beogen met de TTI’s een oplossing te vinden voor de Nederlandse paradox dat kennis beschikbaar is, maar niet wordt omgezet in aansprekende economische en maatschappelijke prestaties. TTI’s zijn intensieve samenwerkingsverbanden tussen bedrijven, kennisinstellingen en de overheid. Bedrijven besteden hun fundamentele en strategische onderzoeksvragen uit aan het topinstituut, dat wordt gefinancierd door de bedrijven zelf en de overheid. In het geval van TTI Groene Genetica heeft het bedrijfsleven zich bereid verklaard om 28% van de kosten te dragen. De kennisinstellingen dragen 22% bij.
terug naar index
Meldingsplicht gebruik eigen zaaizaad onder nieuwe Zaaizaad- en Plantengoedwet
Op 1 februari 2006 is de nieuwe Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005 (ZPW) in werking getreden. Onder deze nieuwe wet is het gebruik van eigen zaaizaad van granen en pootgoed van aardappelen van kwekersrechtelijk beschermde rassen nog steeds toegestaan, mits de teler over het gebruik ervan een vergoeding betaalt aan de kwekersrechthouder. Met de inwerkingtreding van de ZPW is er echter wel een aantal dingen veranderd. Zo is een teler met ingang van oogstjaar 2006 verplicht om uiterlijk 15 mei van ieder jaar zijn gebruik van eigen zaaizaad/pootgoed te melden bij de kwekersrechthouder, de zogenaamde meldingsplicht.
Om de administratieve lasten voor de telers te beperken hebben de kwekers de melding en inning van de verschuldigde vergoeding voor zowel zaaizaad van granen als pootgoed van aardappelen centraal ondergebracht bij Plantum NL. In overleg met LTO Nederland heeft Plantum NL één opgaveformulier opgesteld waarmee de melding voor zowel aardappelen als granen kan worden verricht. Rond 13 april 2006 ontvangt iedere graan- en/of aardappelteler dit opgaveformulier in de bus. Tevens is dan de website www.eigenzaaizaad.nl geopend waarmee de melding nog sneller kan worden gedaan. Hierdoor kan een teler eenvoudig voldoen aan zijn wettelijke meldingsplicht door ofwel het opgaveformulier ingevuld te retourneren of te melden via www.eigenzaaizaad.nl. De melding van het gebruik van eigen zaaizaad/pootgoed dient uiterlijk 15 mei door Plantum NL ontvangen te zijn.
Het “farmers’ privilege”, het recht van boeren om beschermde rassen van landbouwgewassen voor eigen gebruik door te vermeerderen ten behoeve van de productie van eindproduct, is nog slechts toegestaan na een melding van de teler aan de kwekersrechthouder vóór 15 mei. Een teler die niet uiterlijk 15 mei melding heeft gedaan aan de kwekersrechthouder, maar wel eigen geoogst materiaal van kwekersrechtelijk beschermde rassen heeft ingezaaid of uitgepoot is nu direct strafbaar.
Wat moet de teler melden?
De teler moet de volgende gegevens melden:
naam- en adresgegevens van het bedrijf;
het betreffende aardappel- of graanras dat is gebruikt;
het aantal kilo’s van het eigen vermeerderd materiaal dat is gebruikt;
de omvang van het areaal dat daarmee is ingezaaid of gepoot.
Wie moet melden?
Alle telers, dus ook kleine telers, die gebruik maken van eigen zaaizaad of pootgoed zijn in dit nieuwe systeem wettelijk verplicht om een melding te doen. De kweekbedrijven kunnen in het geval van kleine telers wel afzien van het innen van een vergoeding.
Hoeveel bedraagt de vergoeding?
Voor gebruikmaking van het farmers’ privilege is een vergoeding verschuldigd aan de houder van het kwekersrecht. De vergoeding bedraagt:
- voor aardappelen 60% van de reguliere licentievergoeding die in het handelsverkeer verschuldigd is voor het gebruik van het desbetreffende ras, tenzij tussen de houder van het kwekersrecht en de teler anders is overeengekomen (bijvoorbeeld in het geval van een teeltcontract).
- voor granen tenminste 60% van de reguliere licentievergoeding die in het handelsverkeer verschuldigd is voor het gebruik van het desbetreffende ras.
Tussen LTO en Plantum NL is voor granen een overeenkomst van kracht waarin een percentage van 65% is afgesproken.
Wat wordt verstaan onder eigen bedrijf?
De toelichting bij de wet geeft expliciet aan dat gebruik van de oogst van het ene bedrijf door bijvoorbeeld dochterondernemingen, ondernemingen binnen een coöperatief verband of andere bedrijfseenheden met een zelfstandige bedrijfsvoering niet wordt beschouwd als gebruik binnen het eigen bedrijf. Dit betekent dat materiaal van één bepaalde onderneming binnen zo’n coöperatief verband niet door een andere onderneming binnen dat verband mag worden gebruikt. Gehuurd land valt wel binnen de definitie van eigen bedrijf. Het materiaal dat verkregen wordt mag echter op geen enkel moment worden vermengd met eigen oogstmateriaal van de verhurende partij. Het materiaal is eigendom van de huurder en zal dus alleen door hem mogen worden gebruikt.
terug naar index
Nieuwe Bremia-isolaten in 2005 zorgden alleen voor lokale uitbraken van valse meeldauw
De International Bremia Evaluation Board heeft alle Bremia-isolaten die in 2005 gevonden zijn geëvalueerd. Geen van de gevonden isolaten kon benoemd worden als nieuw Bl: fysio. Naast het gebruik van resistente rassen benadrukt de Board het belang van chemische bestrijding en hygiëne-maatregelen om het ontstaan van nieuwe fysio’s te voorkomen.
Bremia lactucae, of valse meeldauw in sla, is zeer variabel. Zelfs binnen één slaproductieveld kunnen meerdere instabiele isolaten aanwezig zijn. De International Bremia Evaluation Board (IBEB) had op vrijdag 10 maart 2006 haar jaarlijkse vergadering in Parijs om de Bremia lactucae-isolaten te evalueren die in 2005 en
2004 in
Europa zijn aangetroffen. Zevenendertig procent van alle aantastingen die in 2005 geanalyseerd zijn betroffen eerder beschreven en officieel benoemde Bl: fysio’s, voornamelijk Bl:24 en Bl:25 (“Bl:” is de officiële code waarmee fysio’s van Bremia lactucae worden aangeduid). Zesenveertig procent betrof eerder beschreven isolaten van ondergeschikt belang. Slechts zeventien procent betrof nieuwe isolaten die niet waren aangetroffen in eerdere jaren. Het merendeel van deze tot dusver onbekende isolaten werd slechts éénmaal aangetroffen. Een aantal van deze isolaten was in staat om de resistentie van sommige Bl: 1-25 resistente rassen te doorbreken. Echter, geen van de nieuw gevonden isolaten is belangrijk genoeg om tot nieuw fysio benoemd te worden, omdat ze instabiel lijken te zijn en niet in staat om te overleven.
De Board benadrukt het belang van chemische bestrijding en hygiëne-maatregelen naast resistentie. Het toepassen van fungicideFungicide application F, vooral op de jonge plant, geeft aanvullende bescherming aan resistente slagewassen, hetgeen de ontwikkeling van nieuwe Bremia-fysio’s helpt tegengaan. Goede hygiënische praktijken, zoals het verwijderen van afval en zieke planten en het reinigen van schoenen na een bezoek aan het veld, reduceren de verspreiding van Bremia in slagewassen.
De IBEB bestaat uit vertegenwoordigers van de Nederlandse en Franse brancheorganisaties Plantum NL en FNPSP, ondersteund door GEVES, Naktuinbouw en diverse Bremia-onderzoekers uit heel Europa. De brancheorganisaties werden vertegenwoordigd door slaveredelaars van Clause-Tezier, Enza, Gautier, Nunhems, Rijk Zwaan, Seminis, Syngenta en Vilmorin.
terug naar index
Plantum NL tevreden met nieuwe Zaaizaad- en Plantgoedwet
Op 1 februari 2006 treedt de nieuwe Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005 in werking. Deze nieuwe wet biedt een modern wettelijk kader voor de procedures voor de toelating van plantenrassen en bosbouwopstanden, de verhandeling van het daarvan afkomstige teeltmateriaal en de verlening van kwekersrecht. Voorheen werden deze procedures behandeld door vier verschillende instanties. In de ZPW 2005 zijn ze ondergebracht bij één instantie: de Raad voor Plantenrassen. Plantum NL is actief betrokken geweest bij de totstandkoming van deze wet en heeft waar nodig de belangen van haar leden, waaronder veel kwekersrechthouders, verdedigd. Dit alles heeft geresulteerd in een duidelijke wet met werkbare procedures en regels.
De nieuwe ZPW betekent vooral een wijziging van de systematiek en een stroomlijning van de verschillende procedures. Zo wordt in het nieuwe systeem de procedure tot de verlening van een kwekersrecht losgekoppeld van de procedure tot toelating van een ras op de nationale rassenlijst. De ZPW brengt op het gebied van het kwekersrecht inhoudelijk gezien geen essentiële wijzigingen met zich mee, de eisen waaronder kwekersrecht verleend wordt blijven bijvoorbeeld hetzelfde. Dit komt voort uit het feit dat Nederland gebonden is aan de eisen van het Verdrag UPOV 1991. Hieronder volgen de belangrijkste wijzigingen die op kwekersrechtgebied zijn doorgevoerd:
- Het “farmers’ privilege”, het recht van boeren om beschermde rassen van landbouwgewassen voor eigen gebruik door te vermeerderen, is nog slechts toegestaan na een melding van de teler aan de kwekersrechthouder vóór 15 mei. Deze mededelingsplicht maakt handhaving van dit privilege veel eenvoudiger. Een teler die niet vóór 15 mei melding heeft gedaan aan de kwekersrechthouder, maar wel eigen geoogst materiaal van kwekersrechtelijk beschermde rassen heeft ingezaaid of uitgepoot is nu namelijk direct strafbaar!
- De beschermingsduur van het kwekersrecht bedraagt in het algemeen 25 jaar met de mogelijkheid om aan bepaalde gewassen een beschermingsduur van 30 jaar toe te wijzen. Plantum NL heeft er bij de totstandkoming van de nieuwe ZPW voor gepleit om meer gewassen deze extra beschermingsduur toe te kennen. In de oude ZPW gold al een beschermingsduur van 30 jaar voor aardappel, acacia, appel, es, iep, kers, peer, populier, pruim en wilg. Nu is dit ook toegekend aan aardbei, freesia, lelie, tulp, esdoorn, iep, kornoelje, krent, lijsterbes, linde en magnolia.
Voor alle rassen van deze gewassen waarvan het Nederlands kwekersrecht op 1 februari 2006 nog van kracht is, en voor alle rassen waarop dit na die tijd wordt aangevraagd, bedraagt de duur van het kwekersrecht per direct 30 jaar. De reden waarom aan deze gewassen een extra beschermingsduur is toegekend ligt in het feit dat het bij deze gewassen langer duurt om investeringen terug te verdienen.
- Een zeer nuttig instrument voor de kwekersrechthouder in het kader van de handhaving van zijn kwekersrecht is de informatieplicht die in de ZPW 2005 is opgenomen voor de keuringsdiensten die vallen onder de ZPW en de Landbouwkwaliteitswet. Dit betekent dat de NAK, de Naktuinbouw, maar ook de Bloembollenkeuringsdienst (BKD) verplicht zijn om op verzoek van de houder van een in Nederland geldend kwekersrecht (dit kan dus ook een Europees kwekersrecht zijn) een overzicht te geven van personen of ondernemingen die teeltmateriaal van zijn ras hebben voortgebracht. Verder moet inzicht gegeven worden in de hoeveelheid teeltmateriaal die er van dat ras is geproduceerd. Voor het geven van deze informatie kan de betreffende keuringsdienst een vergoeding vragen ter compensatie van de administratieve kosten.
Plantum NL is, als brancheorganisatie voor bedrijven actief in de sector plantaardig uitgangsmateriaal, waaronder veel kwekersrechthouders, intensief betrokken geweest bij de totstandkoming van het wetsvoorstel. Samen met vertegenwoordigers van de NAK, Naktuinbouw en de Raad voor het Kwekersrecht heeft Plantum NL voorstellen kunnen inbrengen en feedback kunnen geven. Het Ministerie van LNV heeft steeds de argumenten van het bedrijfsleven meegewogen in haar uiteindelijke oordeel. Een duidelijke wet met werkbare procedures en regels is voor zowel veredeling- als voor opkweekbedrijven van groot belang. Plantum NL is dan ook zeer tevreden met de uiteindelijke wet.
terug naar index
Groene basis uit Nederland
Nederland is traditioneel een grote speler in de sector plantaardig uitgangsmateriaal, in de plantenveredeling zet Nederland zelfs internationaal de toon. Deze vooraanstaande positie blijkt onder meer uit het feit dat Nederlandse bedrijven wereldmarktleider zijn in uitgangsmateriaal voor sierteeltgewassen, pootaardappelen en vlas. Acht van de tien grootste groentezaadbedrijven ter wereld hebben hun hoofdvestiging, danwel een belangrijke vestiging, in Nederland. Kortom het ontwikkelen en produceren van uitgangsmateriaal is een belangrijke, hoog ontwikkelde economische activiteit in Nederland. Om geïnteresseerden een goed beeld te kunnen geven van deze interessante sector heeft Plantum NL een sectorbrochure met de titel “Groene Basis uit Nederland” ontwikkeld. Deze brochure schetst een beeld van onze sector en zoemt in op de “unique selling points” van het Nederlandse plantaardig uitgangsmateriaal. Voor meer informatie over de sectorbrochure kunt u hier kijken.
terug naar index
|